Uitgangspunten onderzoek

Het onderzoek leverde een aantal lastige keuzes op met betrekking tot tellen en meten, categoriseren en afbakenen.
Bij het interpreteren van de gegevens dient dan ook met de volgende uitgangspunten rekening gehouden te worden:

Rechtsmacht in Holland

Het onderzoek Heren van Holland heeft niet als doel een totaaloverzicht te bieden van alle personen of instanties die rechtsmacht uitoefenden in het gewest Holland. Naast de rechtscolleges in de heerlijkheden waren er namelijk veel meer organen met justitiele bevoegdheden. Kerkelijke rechtbanken vonnisten in geestelijke zaken, studenten werden door universitair colleges berecht en waterschappen deden rechterlijke uitspraken op het gebied van waterstaat.

Periodisering

Het project Heren van Holland behandelt de periode 1650-1795. In dat laatste jaar vallen de Fransen Nederland binnen, het leenstelsel en de heerlijke rechten worden in 1798 afgeschaft. Overigens wordt het leenstelsel weer ingevoerd in 1813, om definitief afgeschaft te worden in 1848.

Begrenzing van het gewest Holland

Het project Heren van Holland beschrijft heerlijke rechten en de eigenaars van die rechten in het gewest Holland. Hierbij moeten we bedenken dat het gewest Holland uit het tegenwoordige Noord- en Zuid-Holland bestond en een deel van het tegenwoordige Noord-Brabant omvatte. Daarbij waren er enclaves. Sommelsdijk vormde een Zeeuwse enclave in Holland en Bommenede een Hollandse enclave in Zeeland, die in 1684 door Holland aan Zeeland werd afgestaand. Bokhoven viel onder het Prinsbisdom Luik.

Aantal heerlijkheden

Hoge en lage justitie

Hoeveel heerlijkheden waren er eigenlijk? Dit is een lastig te beantwoorden vraag. Er waren veel hoge heerlijkheden die naast de hoge ook de lage (en middelbare) rechtsmacht hadden. De gezagsdragers binnen deze hoge heerlijkheden (bijvoorbeeld de schout) oefenden naast de hoge dus ook lage justitie uit. Maar het kwam ook voor dat hoge en lage justitie door separate gezagsdragers werden uitgeoefend. De hoge justitie werd dan uitgeoefend door de gezagsdragers van de hoge heerlijkheid en de lage justitie door de schout en schepenen van de lage of ambachts-heerlijkheid. Dit maakt telling van heerlijkheden problematisch. Want een hoge heerlijkheid die ook de lage justitie heeft, zou eigenlijk ook als ambachtsheerlijkheid mee moeten tellen.

Het splitsen en samenvoegen van heerlijkheden

Het kon voorkomen dat heerlijkheden werden gesplitst. Op verzoek van Diderik van Leijden werd bijvoorbeeld de ambachtsheerlijkheid Onwaard en Roxenisse in 1745 door de Staten gesplitst. Van Leijden hield Roxenisse en verkocht Onwaard. Soms werd er door de Staten uit een hoge een lage ambachtsheerlijkheid gecreëerd door de lage justitie te scheiden van de hoge. Dit gebeurde bijvoorbeeld nadat de hoge heerlijkheid Ameide werd gekocht door de Staten. Deze heerljkheid had hoge en lage justitie. De ambachtsheerlijkheid van Ameide werd in leen uitgegeven en de Staten behielden de hoge justitie aan zich. Heerlijkheden werden ook wel samengevoegd. Deze processen van herschikking van heerlijkheden veroorzaken veel verwarring bij onderzoekers, daarom staan alle eventuele splitsingen of samenvoegingen voor elke heerlijkheid vermeld. Er is daarbij uitgegaan van de idee dat een heerlijkheid die geplitst wordt, ophoudt te bestaan en er door splitsing twee nieuwe heerlijkheden onstaan. Twee heerlijkheden die samengevoegd worden, houden eveneens op te bestaan; er ontstaat een nieuwe heerlijkheid die bestaat uit de twee samengevoegde delen. Voor elke geplitste of samengevoegde heerlijkheid staat aangegeven wanneer dit plaatsvond, met verwijzingen naar de heerlijkheden die bij de splitsing of samenvoeging betrokken waren.

Sociale categorisering

De adel

De groep 'adel' is niet duidelijk af te bakenen. De geslachten die van oudsher tot de Hollandse adel behoorden, zijn ingedeeld bij de groep 'Hollandse adel'. Deze groep sloot zich in de loop der eeuwen als stand af voor buitenstaanders. Adellijke geslachten die vanuit andere gewesten of het buitenland naar Holland kwamen, konden daarom geen volledig gebruik maken van adellijke voorrechten. Zij werden bijvoorbeeld niet tot de Ridderschap toegelaten. De riddermatige adel uit andere gewesten is ingedeeld in de groep 'buitengewestelijke adel', de adel van buiten de Nederlanden is ingedeeld bij 'buitenlandse adel'. Een lastig grensgeval vormem familie als Van Leijden (verheven in de 16de eeuw door Karel V). Deze familie is tot de adel gerekend. De familie Van Aerssen (een niet-adellijk geslacht, door prins Maurits evenwel in de Ridderschap van Holland geplaatst) is niet tot de adel gerekend.

Titels van buitenlandse vorsten

Niet-adellijke personen die een titel hadden gekocht van een buitenlandse vorst, werden in het 18de-eeuwse Holland niet als adellijk beschouwd. De familie Lampsins, van wie een lid werd verheven tot baron van Tobago door de koning van Frankrijk, wordt in het onderzoek dus tot de regenten gerekend.

Het regentenpatriciaat

Onder regenten wordt hier verstaan: iedereen die stedelijke- of generaliteitsambten vervulde, als gecommitteerde raad, vroedschap, schepen etc. Uiteraard ontstaan hier problemen met betrekking tot afbakening: wat te doen met gefortuneerde regentenzonen die geen politiek ambt hebben bekleed? Wat te doen met kooplieden die slechts 1 of 2 jaar schepen waren in een kleinere stad? Hier zullen de gemaakte keuzes aanvechtbaar blijven.

Gegoede burgerij

Bij het maken van een onderscheid tussen rijkere burgerij en regenten is er van uitgegaan dat het vervullen van stedelijke ambten het regentendom kenmerkt. Personen die heerlijkheden bezaten en belangrijke functies, maar geen stedelijke ambten vervulden, zijn tot de gegoede burgerij gerekend. Cornelis van Nieuwenhoven, de baljuw en dijkgraaf van Dirksland, is dan dus geen regent. Voor wat betreft de status van vrouwen is gekozen om uit te gaan van de status van de vader van de vrouw. Was de vader regent, dan is de dochter regentendochter.

Schrijfwijze van namen van personen en plaatsen

Voor de schijfwijze van plaatsnamen en voornamen van personen is zoveel mogelijk uitgegaan van moderne spelling. Cornelis en Catharina worden dus niet met een 'K' geschreven. Voor de schrijfwijze van achternamen van personen is uitgegaan van de schrijfwijze die in de voornaamste publicatie(s) betreffende het geslacht wordt gehanteerd. Voor de spelling van namen van heerlijkheden is zoveel mogelijk de moderne plaatsnaam aangehouden, d.w.z. de naam waaronder het gebied tegenwoordig nog bekend is. Indien bekend zijn van achternamen van personen en namen van heerlijkheden naamsvarianten (zoals 'Baartwyk; Baartwijk; Baertwijck') vermeld.

Heerlijkheden zonder juridische-bestuurlijke rechten

Veel personen noemden zich heer, terwijl zij geen heerlijkheid bezaten. Adriaan Pieter Twent (1745-1816) noemde zich heer van Raephorst, terwijl dit een landgoed onder Wassenaer was. Eigenaars van riddermatige huizen noemden zich ook 'heer'. Lieve Geelvinck (1676-1743) was heer van Kronenburg, terwijl aan de ruïne van dit kasteel geen heerlijke rechten (meer) verbonden waren. Of het terecht was dat deze groepen welgestelden met 'heer' betiteld werden, is geen vraag die door dit onderzoek beantwoordt zal worden, Heren van Holland richt zich op de eigenaars van heerlijkheden waaraan juridisch-bestuurlijke rechten verbonden waren. De eigenaars van riddermatige huizen en tot heerlijkheid verheven landgoederen zijn in het onderzoek buiten beschouwing gelaten.

Sterfheren

Er is gekozen om sterfheren niet te vermelden. Een sterfheer is een titulair heer die namens een stad met de heerlijkheid wordt verleid. De stad, de eigenlijke eigenaar van de rechtsmacht, is uiteraard wel opgenomen als eigenaar. Incidenteel is een sterfheer als functie vermeld van een persoon, waneer die persoon eigenaar was van een bepaalde heerlijkheid en daarnaast titulair heer namens een stad.

Wat is een heerlijkheid en wat niet?

In het onderzoek zijn hoge heerlijkheden en ambachtsheerlijkheden (of schoutsambten) opgenomen. Heerlijkheden die geen juridisch-bestuurlijke rechten met zich meebrachten, zijn dus buiten beschouwing gelaten (voorbeelden zijn de hofstedes Holy en Ter Coulster). Dit betekent dat een groot aantal hofstedes niet vermeld staan. De eigenaars van deze hofstedes noemden zich wel 'heer' maar genoten uit dit bezit geen juridisch-bestuurlijke prerogatieven.

Moet de heer of juist de leenheer beschouwd worden als eigenaar van een heerlijkheid?

De leenman, niet de leenheer, wordt beschouwd als eigenaar van de heerlijkheid. Het verlei van heerlijkheden moet dan ook worden gezien als overdracht van eigendom van een heer op een andere heer. Het eigendomrecht van een heerlijkheid was weliswaar beperkt door allerlei regels voortvloeiend uit het leenrecht (vrouwen mochten geen leenhulde doen, officieel was een leenman aan zijn heer trouw verschuldigd, etc.), maar heerlijkheden konden nagelaten, verkocht of hypothecair belast worden door de heer, zonder tussenkomst van de leenheer.

Het jaar van verlei vs. het jaar van overdracht van eigendom van een heerlijkheid

Het kwam nogal eens voor dat een beoogde erfgenaam als heer werd verleid met een heerlijkheid, terwijl de erflater (een vader of moeder bijvoorbeeld) in feite tot zijn of haar dood eigenaar bleef. In dat geval is het jaar waarin de erflater overleed en de overdracht van eigendom plaatsvond opgenomen en niet het jaar waarin het verlei plaatsvond. Een enkele keer is opgenomen: 'verleid in ....', wanneer er verschil is tussen het jaar van verlei en het jaar waarin de eigenaar in bezit kwam van de heerlijkheid. Indien niet precies bekend is, wanneer een persoon eigenaar werd van een heerlijkheid, is het jaar van belening opgenomen.

Heren die namens een vrouw als heer optreden

Een vrouw kon een heerlijkheid bezitten en veel vrouwen noemden zich dan ook 'vrouwe van [...heerlijkheid]'. Maar vrouwen konden geen hulde doen. Wanneer een vrouw een heerlijkheid erfde, deed een plaatsvervanger hulde namens haar. Het kon ook voorkomen dat de vrouw-eigenaresse een zoon of echtgenoot de taken van heer namens haar liet uitvoeren. In een aantal publicaties wordt deze plaatsvervanger genoemd als heer, terwijl de vrouw de eigenlijke eigenaresse van de heerlijkheid is. Er is voor gekozen de vrouw te vermelden als vrouwe en eigenaar van de heerlijkheid en de man op te nemen als plaatsvervangend heer. In dat laatste geval wordt vermeld: '...[plaatsvervanger] trad op als heer namens ...[vrouwe]'. Op deze manier wordt verwarring voorkomen.

Bronnen

Niet alle bronnen staan altijd vermeld. De Tegenwoordige Staat der Nederlanden is voor vrijwel elke heerlijkheid geraadpleegd. Hetzelfde geldt in mindere mate voor De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver.